Tegelwerken

wanden

Deze worden nagenoeg nog allemaal door ons traditioneel gezet in specie.

Lijmwerk heeft veel voorbereiding nodig.

Dus ook dan moet geegalisserdt worden of stucwerk.

Vloeren

Het is niet altijd mogelijk om een vloer in de specie te leggen.

Daarom leggen wij vaak eerst een estrich vloer ,ook als de klant zelf hier op verder wilt gaan met het verlijmen van vloertegels is mogelijk.

Voerverwarming

Een goede opbouw van vloerverwarming, voorkomt veel problemen nadien in de afwerking en de duurzaamheid van de tegelvloer. Het toepassen van vloerverwarming in een tegelvloer is mogelijk, maar een vloer is uiteraard geen radiator. Scheurvorming is een groot risico en er zijn geen garanties dat die niet optreedt. Het welslagen van een verwarmde vloer vereist een strenge en goed gecoördineerde samenwerking tussen de verschillende betrokken vakmensen, namelijk de installateur van de verwarming, het terrazzobedrijf, architect of de ontwerper en het bouwbedrijf. Hoofdverwarming/Bijverwarming? In het algemeen wordt verondersteld dat hoofdverwarming met een watertemperatuur boven de 40º in een cementgebonden dekvloer is toe te passen. Deze veronderstelling is onjuist. Dit is zelfs in de regelgeving in het geheel niet toegestaan, omdat bij vloerverwarming sterke temperatuurschommelingen optreden t.g.v. het met hoge regelmaat aan – en uitschakelen van de verwarming. Vloerverwarming mag alleen worden toegepast als bijverwarming.

1.0 Vloerverwarming en isolatie

1.1 Bij vloerverwarming wordt vaak de dekvloer zwevend uitgevoerd, ook als thermische of akoestische isolatie niet nodig is. Hierbij dient het isolatiemateriaal als scheidingslaag tussen constructievloer en tussenlaag en toplaag. Deze scheidingslaag voorkomt schade bij thermische uitzettingen van de tussenlaag (cementdekvloer) en terrazzo toplaag.

1.2 De scheidingslaag kan bestaan uit geëxtrudeerd polystyreen hardschuim voldoende drukvast. Ofwel een vloerfolie.

1.3 Bij gebruik van isolatieplaten is een vlakke ligging van de isolatieplaten noodzakelijk om breuk van deze platen door belopen te voorkomen, en om een gelijkmatige ondersteuning van de dekvloer te verzekeren.

1.4 Niveau verschillen van meer dan 1cm in de constructievloer zijn niet acceptabel.

1.5 Langs de vloerranden dienen stroken van een samendrukbaar materiaal (polycel schuimband) te worden aangebracht ter dikte van 7 mm of meer, en met een hoogte die ten minste gelijk is aan de dikte van de vloer en hoogte van de sanitairplint.

1.6 De verwarmingsleidingen hebben een middellijn van ten hoogste 20mm en de afstand tussen de buizen is minstens 3 maal de buismiddellijn (dus > 60mm.)

1.7 Beperking van de temperatuur van het verwarmingslichaam: in geval van een vloerverwarming mag een watertemperatuur van 40° C bij vertrek aan de ketel niet overschreden worden.

1.8 Kruisingen van vloerverwarminsleidingen met een dilatatie zo mogelijk voorkomen, dus groepen van de vloerverwarming scheiden door een velddilatatie. Als een kruising onvermijdelijk is, zorgvuldig detailleren met flexibele koppelingen.

1.9 Leidingen van warm tapwater met een temperatuur van meer dan 40° C mogen niet horizontaal door de tussenlaag lopen. Bemanteling is een optie waarbij deze door een ruim bemeten of thermisch isolerende mantelbuizen wordt geleid.

1.10 Verticale doorgaande leidingen of buizen mogen geen direkt contact hebben met de terrazzovloer. Een ruim bemeten of thermisch isolerende mantelbuis hierbij volstaat meestal.

1.11 Leidingen met een procestemperatuur van meer dan 40° C (zoals warmwater- en/of CV leidingen) die verticaal door de terrazzovloer worden gevoerd, moeten door een ruim bemeten of thermisch isolerende mantelbuizen worden geleid.

2.0 Tussenlaag

2.1 Bij vloerverwarming wordt in de tussenlaag een krimpwapening van minimaal Ø 5 mm 150×150 op 1/5 van boven geplaatst. De wapening bevindt zich hierbij boven het verwarmingselement.

2.2 De krimpwapening wordt bij deurdoorgangen en velddilataties onderbroken.

2.3 De druksterkte van de mortel voor de tussenlaag moet ten minste voldoen aan de klasse D30 volgens NEN 2741.

2.4 De dikte van de tussenlaag met vloerverwarming moet minimaal 70mm bedragen.

2.5 De minimale dikte van de tussenlaag boven de leidingen moet volgens NEN 1042 art.7.4.2. tenminste 40mm bedragen.

3.0 Inbedrijfstelling van de vloerverwarming

3.1 Bij cementgebonden dekvloeren minstens zes weken na het leggen van de dekvloer beginnen met opstoken. Hoe langer er wordt gewacht met opwarmen van de vloerverwarming, des te geringer de kans op schade.

3.2 Voer de vloertemperatuur voor de eerste maal zeer geleidelijk op om scheurvorming te voorkomen: ten hoogste 5° C per 24 uur. De Temperatuursverhoging doorzetten tot de maximale bedrijfstemperatuur. Houdt de maximale bedrijfstemperatuur minstens 3 dagen aan. De dekvloer kan zo de maximale uitzetting en relaxatie van de opgebouwde verhinderingspanningen ondergaan.

3.3 Terugkeer naar de begintemperatuur gebeurt geleidelijk met een maximale temperatuurafname van 5° C per 24 uur. Ook na de ingebruikneming en eerste cyclus moet de dekvloer steeds geleidelijk worden opgewarmd. Dat voorkomt grote temperatuurverschillen over de dikte van de vloer. Beveilig de vloerverwarming zo mogelijk tegen te snel opwarmen en hoge temperatuur.

4.0 Elektrische vloerverwarming.

4.1 Bij toepassing van elektrische vloerverwarming gelden dezelfde opwarmingsvoorschriften. Het bij regelmaat aan en uitschakelen van de elektrische verwarming veroorzaakt schade aan de vloer. Beveilig de elektrische vloerverwarming zo mogelijk tegen snel opwarmen, hoge temperatuur en regelmatig aan en uit schakelen. De massieve dikke vloer is immers een goede warmteaccumulator.

5.0 Krimpvoegen/ velddilataties (alleen in de tussenlaag en toplaag)

5.1 De vloervelden moeten vrij kunnen bewegen, haaks op en evenwijdig aan de voeg.

5.2 Plaats van de krimpvoegen of velddilatatie: grote vloeroppervlakken opdelen in velden van ongeveer dezelfde grootte. Vloeren met een L-vorm of versmalling bij deuropeningen in een dragende wand: opdelen in velden van rechthoekige vorm.

5.3 Detaillering: een krimpvoeg hoeft niet te worden doorgezet in het isolatiemateriaal. Bij harde vloerafwerkingen moet de krimpvoeg in de afwerking (toplaag) worden doorgezet. Een pasklare en goede detaillering van krimpvoegen in de zwevende dekvloeren is nog niet voor de hand.

5.4 De detaillering van de krimpvoegen in de tussenlaag en terrazzo toplaag wordt bepaald door het Terrazzobedrijf.

5.5 Kruising krimpvoeg-vloerverwarmingsleiding: deze kruisingen zo mogelijk voorkomen, dus groepen van de vloerverwarming scheiden door een velddilatatie.

5.6 De krimpwapening wordt bij de velddilataties en deurdoorgangen onderbroken.